Grond- en hulpstoffeninventarisatie

Top  Previous  Next

 

 

Grond- en hulpstoffeninventarisatie:

Voor wat betreft de grond- en hulpstoffeninventarisatie zou een bedrijf in de meest optimale situatie de volgende zaken over de stoffen moeten weten (N.B. afhankelijk van het ingestelde RI&E-niveau ziet u een aantal dan wel alle van de onderstaande beschrijvingen):

 

In gebruik:

Binnen het stoffenboekhoudprogramma van deze RI&E zijn al – vanuit de Milieubeleidsovereenkomst Grafische Industrie en Verpakkingsdrukkerijen – de nodige grafische stoffen opgenomen. In de eerste kolom kunt u door het aanvinken van het vakje aangeven dat deze stof in uw bedrijf voorkomt.

Wellicht handig om ook direct te inventariseren welke stoffen weliswaar voorkomen, maar niet meer worden gebruikt. Ons advies is om deze stoffen op te ruimen en als gevaarlijk afval (vaak KGA) af te voeren. Dat scheelt u een heleboel onnodig inventariseerwerk.

 

ESV-nummer:

Dit is het standaardnummer dat (naast de standaard naam) in het kader van de Milieubeleidsovereenkomst Grafische Industrie en Verpakkingsdrukkerijen (kortweg MBO) aan een bepaalde stof is gegeven. Het maakt niet uit van welke leverancier/producent u bijvoorbeeld uw plaatontwikkelaar (vormvervaardiging offset) afneemt, het gaat uiteindelijk om 'plaatontwikkelaar'. Zo is het nummer van plaatontwikkelaar uit het voorbeeld: 100.101.

 

ESV-naam:

Dit is de standaardnaam die in het kader van de MBO aan een bepaalde stof gegeven is. Per hulpstof staat in de ESV-lijst aangegeven:

a) wat u met de restanten van de stof moet doen;

b) wat u met de afgewerkte stof moet doen;

c) wat u met de (lege) emballage moet doen;

d) wat u met (eventueel) snijverlies (bij films) moet doen;

e) wat u met (eventueel) sleepverlies (bij fotochemie) moet doen.

 

De volledige ESV-lijst is terug te vinden in dit RI&E-programma en uw KVGO-klapper van de Milieubeleidsovereenkomst: 'Milieumaatregelen 1993-2000'. Tevens kunt u deze lijst inzien en downloaden via het internet: www.fo-industrie.nl/document/hbgi.htm. (zie onderstaande site)

 

clip0190

 

Bedrijfseigen naam:

Hiermee wordt voornamelijk de naam bedoeld die u als bedrijf aan de specifieke stof wilt geven. Het RI&E-programma heeft nu de standaard ESV-naam ingevoerd, maar daar mag u desgewenst ook uw eigen benaming overheen zetten. Uitgangspunt is dat het voor alle werkzame personen in het bedrijf helder is te weten om welke stof het gaat.

 

Gebruiksdoel:

Geef hier een omschrijving ten behoeve van welk productieproces wordt de hulpstof gebruikt (voorbeeld m.b.t. plaatontwikkelaar wordt gebruikt voor het ontwikkelen van offsetplaten).

 

Naam leverancier:

Het is verstandig per stof aan te geven bij welke leverancier u deze inkoopt. In het kader van het verzamelen van alle relevante veiligheidinformatiebladen (kortweg VIB), dient u zich namelijk te wenden tot uw leveranciers.

 

Datum VIB (= VeiligheidInformatieBlad):

Het is van belang om exact aan te geven wat de laatste versie van het bijbehorende veiligheidsinformatieblad is. Wij adviseren u om regelmatig (minimaal één keer per jaar) te controleren of de aangegeven datum nog steeds overeenkomt met de versiedatum van het meest actuele veiligheidsinformatieblad dat door de leverancier wordt verstrekt of via hun website ter beschikking wordt gesteld. Zoals u weet dienen leveranciers, na het verkrijgen van meer inzicht in hun hulpstof, hun VIB op elk gewenst moment aan te passen, waarna u deze nieuwste versie toegestuurd zou moeten krijgen

 

ADR-klasse:

Er zijn heel veel stoffen die door hun specifieke eigenschappen tot de groep van gevaarlijke stoffen behoren. Voor het vervoer van deze stoffen zijn ze, afhankelijk van de specifieke eigenschappen, ingedeeld in 9 gevarenklassen. De ADR-klasse is voortaan ook opgenomen in de RI&E Grafimedia omdat de nieuwe richtlijn voor opslag van gevaarlijke stoffen (PGS 15) niet meer is gebaseerd op de Wet Milieugevaarlijke stoffen, maar op de ADR.

De informatie voor het invullen van de ADR-klasse, kunt u halen uit het veiligheids-informatieblad van de desbetreffende stof onder paragraaf 14. De volgende etiketten zult u het meest tegenkomen op uw gevaarlijke stoffen:

clip0191         clip0192

ADR-gevaaridentificatie-nummer:

Iedere stof die is ingedeeld in een ADR-klasse wordt ook voorzien van een gevaaridentificatienummer. Het gevaaridentificatienummer (GEVI) - ook wel Kemler-getal of Kemler-code genoemd – geeft aan wat de belangrijkste gevaren zijn van een stof. De maximale hoeveelheid gevaarlijke stoffen die u in uw chemiekluis mag hebben, wordt o.a. aan de hand van deze code vastgesteld in een nieuwe richtlijn voor opslag van gevaarlijke stoffen (PGS 15). Het gevaar-identificatienummer staat vermeld in het veiligheidsinformatieblad, onder paragraaf 14.

Het eerste cijfer van het gevaaridentificatienummer komt overeen met de ADR-klasse (dus het gevaaridentificatienummer van een stof in klasse 3: Brandbare vloeistoffen, begint altijd met een 3). De daaropvolgende nummers geven aan of er nog bijkomende gevaren zijn. Te weten:

2        ontsnappen van een gas t.g.v. druk of van een scheikundige reactie

3        brandbaarheid van vloeistoffen (gas) en gassen, of voor zelfverhitting vatbare vloeistoffen

4        brandbaarheid van vaste stoffen, of voor zelfverhitting vatbare stoffen

5        verbranding bevorderende (oxiderende) werking

6        giftigheid of gevaar voor besmetting

7         radioactiviteit

8        corrosiviteit (bijtende werking)

9        als eerste cijfer: diverse gevaren (onder andere milieugevaarlijk)

9        als laatste cijfer: gevaar voor spontane hevige reactie

X        gevaarlijke reactie met water

 

Grenswaarde (vroeger de MAC-waarde):

Voorheen kenden we de MAC-waarde; de Maximaal Aanvaardbare Concentratie van een stof. Dit is door vernieuwde Europese regelgeving veranderd in Grenswaarde. Dit geeft nog steeds aan wat het maximale concentratieniveau van een gas, damp, aerosol, vezel of van stof in de lucht op de werkplek mag zijn. Bij de vaststelling van deze waarde wordt zoveel mogelijk als uitgangspunt gehanteerd dat – voor zover de huidige kennis reikt – de gezondheid van de werknemers én hun nageslacht niet wordt benadeeld. Zelfs niet bij herhaalde blootstelling aan die concentratie, gedurende een langere tot zelfs een arbeidsleven omvattende periode.

In Nederland bestaan wettelijke grenswaarden. Een wettelijke grenswaarde is gebaseerd op een wetenschappelijk gezondheidskundig onderbouwd advies van de Gezondheidsraad, en is door de SER-commissie Grenswaarden (SER = Sociaal Economische Raad) getoetst op sociaal-economische haalbaarheid. De grenswaarden van uw stoffen zouden terug te vinden moeten zijn in de bijbehorende VIB's.

 

Bedrijfseigen grenswaarde:

Indien er voor een stof geen grenswaarde is afgegeven, bent u als bedrijf verplicht zelf een grenswaarde vast te stellen, waarbij het uitgesloten is dat er enig gevaar voor werknemers kan bestaan als deze blootgesteld worden aan concentraties die onder de bedrijfseigen grenswaarde liggen.

 

CAS-nummer:

Een CAS-nummer – officieel CAS Registry number genaamd - is een unieke numerieke identifier voor chemische elementen, componenten, polymeren, en legeringen. CAS staat voor Chemical-Abstract-Service, een organisatie die al sinds 1907 bestaat en ten doel heeft alle in gebruikt zijnde stoffen terug te brengen tot individuele – en voor chemici – herkenbare begrippen. Anno 2009 bestaan er al 50 miljoen nummers en er komen dagelijks 4.000 (!) bij.

 

Bedrijfseigen nummer:

In dit veld kunt u een geheel eigen nummer aangeven. U kunt er ook voor kiezen om in het aantekenveld (laatste kolom) extra gegevens te verwerken. Daarbij kunt u denken aan de locatie waar het veiligheidinformatieblad is gearchiveerd.

 

CRM:

Wat in het kader van het gevaarlijk stoffenregister ook van belang is, om te controleren of de stof valt onder de nationale lijst van CRM-stoffen. CRM staat voor Carcinogene, Reprotoxische en Mutagene stoffen. Voor deze stoffen geldt vanuit de Arbowet een vervangingsplicht. Daarnaast moet het bedrijf een extra registratie bijhouden. Binnen de grafimediabranche geldt dit met name voor de stof Ethanol of ethylacetaat (verpakkingsdiepdruk), Perchloorethyleen ('Per') of Tri-chloormethaan ('Tri'). Voor de twee laatstgenoemde stoffen geldt een algeheel gebruiksverbod. DE verpakkingsindustrie (oplosmiddelhoudend) kan helaas nog niet zonder de Ethanol.

 

Locatie van opslag:

Hier kunt u aangeven op welke locatie (in welke opslagfaciliteit) de bulk- en werkvoorraden worden bewaard. Hierbij kunt u denken aan een 'Losse chemiekast' of een 'Opslagkluis'.

 

Gemiddeld aantal in voorraad:

Bij de aanvraag van een milieuvergunning is het voor de vergunningverlener van belang te weten hoeveel gevaarlijke stoffen u gemiddeld op voorraad hebt. Geef daarom hier aan hoeveel 'eenheden' van de soort emballage er gemiddeld genomen in voorraad zijn.

 

Opmerkingenveld:

In dit veld kunt u een eigen tekst kwijt over deze stof. Hierbij kunt u denken aan een veiligheids- en werkinstructie hoe om te gaan met de stof. De door u ingevoerde informatie in dit veld zal worden opgenomen in de stofkaart, die het RI&E-programma desgewenst voor u kan maken.

 

Gevaarsymbool:

Alle gevaarlijke stoffen dienen, conform de Wet Milieugevaarlijke stoffen, te zijn voorzien van oranje gevaarsetiketten. Op korte termijn zullen deze etiketten echter verdwijnen, en komt hiervoor – in het kader van Global Harmonized System (GHS) – een nieuwe etikettering. Het is voorlopig nog van belang om aan te geven welk gevaarsymbool (of symbolen) voor de desbetreffende stof geldt. Zo geldt voor veel plaatontwikkelaars uit de offset het gevaarsymbool met het Andreaskruis: clip0193  irriterend (Xi). Deze informatie kunt u halen uit het veiligheidsinformatieblad van de desbetreffende stof onder paragraaf 15. Het is natuurlijk ook mogelijk dat er voor een bepaalde stof geen gevaarsymbool geldt. In dat geval kunt u dat aangeven met de standaardtekst 'Niet geëtiketteerd'. Er bestaan de volgende gevaaretiketten:

 

clip0194     clip0195     clip0196     clip0197     clip0198     clip0199     clip0200

clip0201

Voor meer gerichte informatie over gevaarlijke stoffen verwijzen wij u naar het ACG-themadocument 'Gevaarlijke stoffen'. Deze is te vinden op de arbografimedia website of het tabblad RI&E Beleidsvelden van dit programma.

 

R-zinnen:

Hiermee worden de R(Risk)-zinnen – of Risicozinnen – bedoeld, welke voor een bepaalde stof gelden. Deze informatie kunt u halen uit het veiligheidinformatieblad van de desbetreffende stof onder paragraaf 15.

 

S-zinnen:

Hiermee worden de S(Safety)-zinnen – of Veiligheidszinnen – bedoeld, die aan een bepaalde stof verbonden zijn. Ook deze informatie haalt u uit het veiligheidinformatieblad onder paragraaf 15.